Tot 29 augustus vindt een internetconsultatie plaats over de introductie van constitutionele toetsing. Oppervlakkigheid alom. Enige ideeën bezien: 1) wat is het echte probleem; 2) lost het “voorstel” het echte probleem op?
Bescherming van mensenrechten
Uit de internetconsultatie over grondwetswijziging blijkt van constitutionele toetsing ter toepassing van klassieke grondrechten. Het feit dat de rechter niet bevoegd is de wet aan deze grondrechten te toetsen wordt als probleem aangemerkt. Wijziging van artikel 120 Grondwet zal burgers dan beschermen. Iedere rechter zou voortaan een wet aan enkele grondrechten toetsen en die wet buiten toepassing laten. Het voorstel wordt in een “doctoraal scriptie” toegelicht. Geenszins wordt overtuigend aangetoond op grond waarvan en waarom dit een groot probleem is. Onverenigbaarheid van in het koninkrijk geldende wettelijke voorschriften met eenieder verbindende bepalingen in verdragen en van volkenrechtelijke organisaties vinden ingevolge onze (tot bepaalde hoogte cerebrale) Grondwet (zie de delegatieterminologie) geen toepassing ingevolge de artikelen 93 en 94. Artikel 120 Grondwet is geen probleem gebleken waaronder de bevolking “geleden” heeft.
Een minder zinvol verdwenen voorstel
In mijn column van 19 maart besprak ik de nota van de minister van BZK en de staatssecretaris voor rechtsbescherming aan de Tweede Kamer. Hun “oplossing” werd toen gezocht in een relatie tussen wijziging van artikel 120 en de instelkling van een “vangnet- grondwettelijk hof”. Dit voorstel was nog zinlozer. Zij stelden voor “wet” in artikel 120 Grondwet te schrappen en de rechter te verplichten aan dat hof een prejudiciële vraag naar verbindendheid van de wet met een klassiek grondrecht voor te leggen. Daarna moest het geschil verder worden voortgezet.
Een constitutioneel hof volgens de staatscommissie “Remkes”
De invoering van een constitutioneel hof zou volgens deze commissie nodig zijn ter bescherming van een klassiek grondrecht. Waarom? Zijn de klassieke grondrechten dan zo slecht beschermd? De in “Lage drempels, hoge dijken” bepleite instelling van een constitutioneel hof wordt echter gemotiveerd ter “oplossing” van een gebrek aan normatieve kracht en maatschappelijke betekenis van overheidsgezag. Zou dit gezag dan met een hof dat klassieke grondrechten prejudicieel toetst aan kracht winnen? Dat lijkt geenszins het geval, veeleer een “vooringenomen standpunt” als remedie.
Het miskend probleem toegelicht
Wie kennis neemt van de ontwikkeling in de wijze waarop overheden te werk gaan neemt een ontaarding waar van hun gedrag. Niet de vereiste voldoening aan de opdracht tot inzet ter bevordering van een vredige samenleving, maar de eigen belangen en ambities pleegt menig leider te behartigen. Het respect voor de waardigheid van de mens en de zorg ter behartiging daarvan schieten tekort. De macht is stilaan verworden tot een middel waarmee leiders hun eigen belang plegen te dienen. De door verkiezingen verleende staatsmacht gebruikt menig gekozene ten eigen bate, gesteund door zijn politieke partij. Niet een dienende inzet, maar een dwingende methode ten aanzien van de burgers pleegt toegepast te worden. Dit overheidsgedrag neemt toe en vormt een probleem. Juist dit vereist een bevredigende oplossing. Ook in ons land. Dat is heel wat anders dan de zorg voor klassieke grondrechtenbescherming. Het gaat daarbij niet om rechtsgeschillen, maar om een voorziening die de leiders in de “rechtsstaat” aan hun opdracht moet houden. Dat geldt niet minder ook voor rechters. De voorgenomen wijziging van art. 120 Grondwet brengt geen vertrouwen in machthebbers die de overheidsmacht misbruiken.
Probleem oplosbaar?
De positie van iedere burger jegens de overheidsmacht zal het principiële uitgangspunt dienen te zijn. Dit betreft de staatsrechtelijke verhouding tussen overheid en burger en bescherming van de gemeenschap door “de gehele overheid”. Haar opdracht is te zorgen voor een door het recht beheerste samenleving. Het gedrag van de leiders ter nakoming van die opdracht en op hen rustende plichten vereist structureel een onafhankelijke controle op die gedragingen. Die controle ontbreekt geheel in ons land. De politieke controle is dat niet, want afhankelijk van subjectieve partijverhoudingen. Daardoor is de bevolking verontrust over en wantrouwend jegens de overheid. Ook het kabinet Schoof kent onrust, ideologische stellingnamen en partijpolitieke tegenstellingen. Dat bevordert de negatieve houding jegens de overheid. De wezenlijke problemen die een structurele oplossing vragen zijn tot nu ontgaan. Aan belangen die nu zorg vereisen is geen aandacht geschonken. Dit democratisch recht verdient alle aandacht ook van de grondwetgever. De nakoming van ambtsplichten zou ter vestiging van dat “mensenrecht” een constitutioneel hof kunnen bieden. Die conclusie hebben andere landen getrokken na WO II. Nederland niet. Dat zo’n hof kwalitatief aan hoge eisen dient te voldoen is het gevolg van zijn belangrijke controlerende opdracht. Ook de Nederlandse gemeenschap moet kunnen rekenen op rechtsstatelijk toezicht op de machthebbers. Dat toezicht is hard nodig in Nederland.
Slechte en goede voorbeelden
Veel landen hebben een constitutioneel hof ter bewaking van de overheid. Er zijn uiteenlopende voorbeelden van. Waar de invloed van de uitvoerende macht op de samenstelling van een hof groot is kan getwijfeld worden aan de waarde van controle wegens ongeschikte controleurs. Een voorbeeld van dien aard levert het Supreme Court van de USA. Frankrijk en Duitsland kennen gedegen regelingen voor een objectief lidmaatschap: art. 56 Constitution en art. 94 Grundgesetz. Het feit dat een minderheid van de Franse assemblée voorafgaand aan een in te voeren wet controle kan eisen inzake toetsing aan de Grondwet door de Conseil constitutionnel biedt zinvolle bescherming. Vóórkomen is beter dan genezen. De Duitse grondwet legt iedere overheid de plicht op de menselijke waardigheid te beschermen. Controle hierop komt het Bundesverfassungsgericht toe. Ook de rechters ontkomen daar niet aan, hetgeen bij ons te wensen overlaat. Bescherming van lokale overheden is ter beoordeling van het Duitse hof, waardoor de rechtspositie van de gemeente geen speelbal is van de centrale overheid, zoals in ons land. Politieke partijen zijn in ons land vrij in hun organisatie, hetgeen blijk geeft van miskenning van hun staatsrechtelijke positie. Ons staatsrecht aanvaardt dat het er niet toe doet wat het algemeen belang van een politieke partij vereist.
Vraag
Wenst Nederland een zinloze oplossing? Mag van de overheid rechtsgedrag verwacht worden? Hoeveel “rechten” de mensen ook mogen hebben, waar machthebbers hun eigen “rechtsgang” kunnen gaan, heerst…!
Hub. Hennekens is emeritus hoogleraar Staats- en bestuursrecht aan de Radboud Universiteit en oud-lid van de Raad van State.