De Haagse rellen op 20 september van dit jaar hebben algemene verontwaardiging gewekt. Meer dan ooit leken landelijke politici zo eensgezind in hun oordeel. Zoals gebruikelijk ging het over de voorvallen. Een verklaring werd ‘uiteraard’ niet gezocht.
Steeds blijken politici hun standpunten te koesteren, indien nodig zoeken zij er argumenten bij. Dat was ook het geval in hun reacties op 20 september. Zelden plegen zij in staat of bereid tot verdieping, zeker niet als het hun eigen ‘beleid’ zou kunnen treffen. Tijdens de behandeling van de Politiewet 2012 kwamen geen democratische eisen voor de politieorganisatie ter sprake, noch de relatie tussen samenleving en de politie. Bezinning en verantwoording op dit aspect bleek afwezig. Was dat niet relevant voor opzet en doelstelling van de politieorganisatie? Studies over de plaats van de politie in de Staat en hoe de politie dienstbaar kon zijn aan de samenleving interesseerden de wetgever niet. Zowel bij de behandeling van de Politiewet als ook nu bleek hiervoor geen belangstelling. La déclaration des droits de l’homme et du citoyen kreeg evenmin aandacht. Artikel 12 bepaalt daar: “La garantie des droits de l’homme et du citoyen nécessite une force publique; cette force est donc instituée pour l’avantage de tous, et non pour l’utilité particulière de ceux auxquels elle est confiée.” Met ‘force publique’ werd gedoeld op wat nu de politie wordt genoemd. Twee uitgangspunten zijn hierin relevant: 1) de politie dient de mensenrechten te garanderen; 2) de politie is dus niet ten nutte van de instantie waaraan de organisatie is toevertrouwd. Garandeert de politie dit sociaal mensenrecht? Hoort dit niet in de grondwet te staan? Welke instantie bestuurt onze politie? Hoe is de relatie tussen samenleving en politie geregeld? Is er een relatie tussen de politieorganisatie en de Haagse rellen gelegen in de wijze waarop de politie functioneert?
Een stukje historie in vogelvlucht
Was reeds vóór de Tweede Wereldoorlog een ontwikkeling ingezet naar centralisatie van de politie, na de oorlog werd dit voortgezet. Het betrof ook de keuze tussen Binnenlandse Zaken en Justitie als verantwoordelijke departementen. De vraag naar de wijze waarop de burgers aanspraak zouden kunnen maken op politiezorg loste zich ten dele op in de vraag wie landelijk de ‘baas’ van de politie werd. De Politiewet van 1958 maakte een onderscheid tussen rijks- en gemeentepolitie, waarbij een inwonertal van 25.000 als uitgangspunt gold voor gemeentepolitie. Als gezagsdragers voor de openbare orde werden de burgemeesters en voor de opsporing van strafbare feiten de officieren van justitie aangewezen. In de jaren 1980 werd gepoogd provinciale politie te creëren. Dit strandde en uiteindelijk kwam in een ingewikkelde constructie regionale politie uit de politieke hoed in 1994 tevoorschijn. Daarvan viel te voorspellen dat deze geen lange tijd beschoren zou zijn. Het was de aftrap voor nationale politie. Zoals voorspeld won het departement van Justitie de al jaren gevoerde strijd van Binnenlandse Zaken over de zeggenschap. De Politiewet van 2012 bracht nationale politie met Justitie als verantwoordelijke instantie. Door deze strafrechtelijk georiënteerde ‘politiebaas’ werd de inzet voor beoogd repressief optreden leidend. De gezagsverhoudingen van de burgemeesters en de officieren van justitie bleven op papier dezelfde, maar ook dit papier is geduldig. In de tijd waarin er tevens rijkspolitie was hadden zelfs burgemeesters van die gemeenten rechtens invloed op het doen en laten van de plaatselijke rijkspolitie waardoor ook preventie aan haar trekken kon komen. Geen enkele burgemeester heeft momenteel wettelijk een dergelijke positie in de politieorganisatie.
Oordelen uit de politiepraktijk en de politieke miskenning ervan
Was menig politiecommissaris graag vrij in zijn aanpak, de bereidheid om zich rekenschap te geven van de plaats van de politie in de Staat ontbrak evenmin. Belangrijke studies zijn in die tijd verschenen. Van belang is de recente studie Onze politie in een kwetsbare rechtsstaat onder redactie van Jaco van Hoorn en Maud van Bavel. Aan deze evaluatie van tien jaar nationale politie hebben veel schrijvers een bijdrage geleverd. Zo geeft Peter Stort een geruime tijd verwoord standpunt weer. In 2006 bezocht hij samen met een collega de Rode Hoed in Amsterdam, waar de hoofdcommissaris Eric Nordholt zou spreken. Hij waarschuwde voor de toenemende radicalisering en criminaliteit onder jongeren in problematische wijken en stelde dat de politieorganisatie ‘moest worden ingericht op dit probleem’. Dit ‘inrichten van de organisatie op de aanpak van een probleem, t.w. zich richten op de zorg tot tegengaan van radicalisering en criminaliteit onder jongeren’ is een volledig verwaarloosd aspect van onze politiezorg. Jarenlang is op dat punt van de politietaak niet serieus gerespondeerd. Van Essen zei concluderend bij zijn afscheid als korpschef van de nationale politie vorig jaar dat aan preventie niet voldaan was. Kan preventie door een volwaardige inzet van wijkagenten, als door Nordholt uitdrukkelijk bepleit, succes boeken? Was de oorzaak van de rellen van 20 september door de politici wel onderzocht, dan hadden zij zich in die vraag dienen te verdiepen. Had een preventieve opstelling van de politie kunnen voorkomen dat het geweld dergelijke vormen aannam? Had preventie vanwege de politie ‘radicalisering en criminaliteit’ enigermate kunnen mitigeren? De door wijkagenten te leveren bijdrage kon en kan niet méér bieden dan een doekje voor het bloeden. Draagt een repressieve benadering door de politie bij aan de bereidheid tot rellen? Is repressie – zie ook de wens van de voorzitter van het college van procureurs-generaal – een middel tot vertrouwen tussen de politie en potentiële relschoppers? Dragen de politici hiervoor verantwoordelijkheid?
De politieke keuze voor een repressieve organisatie
Geen enkele politieke partij heeft bij de totstandkoming van de Politiewet 2012, noch nu, preventie door de politie als doelstelling bepleit. Justitie als departement van de politieorganisatie – in veel landen ressorteert de politie onder Binnenlandse Zaken – is mede eraan debet dat de politie preventie zo evident heeft verwaarloosd. Angst, achterdocht en geweld zijn de reacties op repressief optreden.
Hub. Hennekens is emeritus hoogleraar Staats- en bestuursrecht aan de Radboud Universiteit en oud-lid van de Raad van State.