We moeten af van het automatisme om steeds maar nieuwe regels te maken

Het bestuursrecht is volop in ontwikkeling, zegt CPO-docent Rogier van Dam. De menselijke maat is bijvoorbeeld een belangrijke rol gaan spelen, en komt terug in het wetsontwerp Wet versterking waarborgfunctie Awb. Maar is het aanpassen van de regels wel de oplossing?

“Het bestuursrecht is volop in ontwikkeling. Neem bijvoorbeeld de Toeslagenaffaire. Die begon als een specifiek probleem bij de afdeling Toeslagen van de Belastingdienst, maar is snel veel breder geworden. De daar ontbrekende ‘menselijke maat’ werd al snel hét topic in het hele bestuursrecht. Dat zag je ook in de jurisprudentie. Dankzij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2022 (over het evenredigheidsbeginsel), moeten nu alle bestuursorgaan veel beter motiveren waarom ze bepaalde besluiten nemen.”

Wet versterking waarborgfunctie Awb

“Een andere belangrijke ontwikkeling is de aanpassing van de Awb met de Wet versterking waarborgfunctie Awb. Hiermee wordt de menselijke maat sterker in de wet opgenomen. Bestuursorganen krijgen onder andere de plicht om te bekijken of ze op een informele wijze conflicten kunnen oplossen (‘informele afdoening’; voorgesteld artikel 7:1b Awb). Hoewel het nog om een voorontwerp gaat, is het belangrijk dat je als praktijkjurist weet dat dit speelt. Het past in de ontwikkeling die in het bestuursrecht gaande is en laat duidelijk zien welke kant het bestuursrecht vermoedelijk op gaat.

Overigens vind ik het wetsontwerp niet altijd goed doordacht. Bijvoorbeeld bij het streven naar een ‘informele afdoening’. Het klinkt goed, maar zo’n algemeen geformuleerde opdracht roept toch de nodige vragen op. In feite wordt hier de opdracht gegeven om het bestaande wettelijke kader los te laten en je vooral niet te laten hinderen door wettelijke eisen en beperkingen. Maar hoever kun je daarin gaan? Die duidelijkheid en kaders zou je juist van de wetgever verwachten. De voorgestelde, grenzeloze, formulering lijkt nu meer een ‘anti-wettelijke’ bepaling, die de ‘formele’ wettelijke aanpak diskwalificeert. Daarmee tast je wat mij betreft de intrinsieke waarde van de Awb aan.

Ik vraag me ook af of je de burger hiermee niet van de regen in de drup helpt. Natuurlijk zullen er burgers zijn die voordeel hebben van een ‘tussen-de-regels’-oplossing. En in die gevallen zal zo’n informele afdoening prima werken. Maar het recht is er ook – misschien wel juist – voor burgers die in de clinch liggen met de overheid. Het zullen juist die burgers zijn die al snel de rechtsgelijkheids- en rechtszekerheidskaart op tafel zullen leggen. Ik ben heel benieuwd of en hoe de voorgestelde informele afdoening onder die druk stand zal houden. Plat gezegd: als blijkt dat aardige, redelijke, handige en mondige burgers er meer uit weten te slepen dan minder aardige burgers, dan heb je als overheid wel iets uit te leggen.”

Kennelijke fouten

“Een andere interessante ontwikkeling betreft de regeling voor het herstel van kennelijke fouten in besluiten. Dat is overigens niet het grootste probleem in het bestuursrecht, want vaak wordt zo’n fout al met een telefoontje naar het bestuursorgaan snel en informeel opgelost. Nu wordt het toch vastgelegd in een wettelijke regeling, en dat is wat mij betreft vragen om problemen. Ik zie de goede bedoeling van de wet, maar vraag me sterk af of je dat op deze manier moet regelen. Misschien gaat het werken, maar mijn ervaring is dat het optuigen van een procedureel circus vooral weer nieuwe procedurele conflicten uitlokt. Dat is niet nieuw, maar het heeft wel als onwenselijk effect dat je daarmee steeds verder afdrijft van het probleem waar het eigenlijk om gaat. De discussie over de kennelijke fout zelf wordt dan al snel vermengd, of zelfs verdrongen, door discussies over de vraag of er wel op een juiste wijze met de kennelijke fout is omgegaan.”

De onmacht van regels

“Je kunt proberen om alles in mooie rechtsregels vast te leggen, maar het gaat hier in feite om rechtscultuur. En kun je die wel veranderen met wettelijke bepalingen? We hebben de neiging om nieuwe regels te maken als we iets willen veranderen, maar dat is zeker niet altijd de oplossing. Een voorbeeld daarvan is een voorstel om de termijn voor het maken van bezwaar te veranderen. De huidige regel is dat als je een besluit wilt aanvechten, je dat binnen de termijn van zes weken moet doen. Ben je te laat, dan is de consequentie dat je bezwaar in principe niet-ontvankelijk wordt verklaard. Er kunnen verschillende redenen zijn waarom iemand te laat is. Iemand heeft de brief niet goed gelezen, begrijpt de brief niet, heeft het poststuk niet ontvangen of was te laat vanwege moeilijke persoonlijke omstandigheden. Met het wetsvoorstel krijgen die situaties nu meer erkenning. En daarom wordt ook de standaardtermijn van zes weken in een aantal gevallen opgerekt naar dertien weken.

Hoe goedbedoeld het ook is, hiermee maak je de regeling alleen maar complexer, want er komt een schakel bij. Want straks moet je niet alleen de termijn berekenen en beoordelen of en waarom iemand te laat is, maar ook nog de vraag beantwoorden welke termijn eigenlijk van toepassing is: de korte of de lange. Eigenlijk vind ik het klakkeloos verlengen van zo’n termijn een tamelijk simplistische vondst. In de kern gaat het erom dat je wilt dat burgers kennisnemen van een besluit, nadenken over de vraag of ze dat besluit willen aanvechten en dat desgewenst ook kunnen doen. Duidelijk is dat dat nu, bij een termijn van zes weken, zeker niet altijd goed werkt. Biedt een verlenging van deze termijn dan een oplossing? Ik denk het eigenlijk niet. Er is ook helemaal niet onderzocht of die nieuwe dertien-weken-termijn werkelijk effect zal hebben. Het gekke is dat veel bezwaar- en beroepschriften helemaal aan het einde van de termijn worden ingediend – nog net op tijd of juist net te laat. Dat last-minute werken is vast en zeker (psychologisch) te verklaren. En ik geloof ook niet dat een nieuwe langere termijn dát gedrag zal veranderen. De piek zal, met alle bijbehorende grensgevallen, vermoedelijk alleen maar verschuiven.”

Rogier van Dam is hoofddocent recht aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen.

Houd me op de hoogte

Blijf op de hoogte en ontvang informatiemails over nieuwe cursussen en inspirerende columns & kennisclips op uw vakgebied.

Aanmelden